Rechtbank Den Haag · 7 oktober 2026
Vertrek uit advocatenmaatschap; vernietiging vaststellingsovereenkomst en winstvoorschotten in kort geding
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een B.V. die als vennoot was aangesloten bij een advocatenmaatschap vordert in kort geding voorzieningen na haar gedwongen vertrek op grond van een vaststellingsovereenkomst, waarvan zij vernietiging wil vorderen wegens bedreiging en misbruik van omstandigheden. De voorzieningenrechter acht vernietiging onvoldoende aannemelijk, waardoor de finale kwijting blijft staan, en wijst de vorderingen over winstvoorschotten, einddatum en schadevoorschot af. Alleen de geheimhoudingsplicht wordt gedeeltelijk opzijgezet.
Kernoverwegingen
“In de eerste plaats dient de voorzieningenrechter te beoordelen of in voldoende mate aannemelijk is dat de vaststellingsovereenkomst door de bodemrechter zal worden vernietigd. Alleen als het antwoord daarop bevestigend zal zijn, bestaat ruimte om de aannemelijkheid van de gestelde onrechtmatigheid te beoordelen. Met de vaststellingsovereenkomst is immers beoogd een einde te maken aan het geschil tussen partijen over de vraag of de beëindiging van hun samenwerking terecht is of niet. Als niet aannemelijk is dat de vaststellings-overeenkomst vernietigd zal worden, moet er in het kader van dit kort geding eveneens vanuit worden gegaan dat deze discussie niet meer kan worden hervat, vanwege de in die overeenkomst verleende finale kwijting.”
r.o. 4.2
“Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is tegen de onder 4.5 geschetste achtergrond niet voldoende waarschijnlijk dat de bodemrechter de vaststellingsovereenkomst zal vernietigen. Daarbij is van belang dat voor [vennoot eiseres] voorafgaand aan de vergadering duidelijk was dat over zijn exit zou worden gesproken en dat hij in de aanloop naar die vergadering ook een uitgebreide eigen zienswijze heeft verstrekt aan de aanwezigen, dat [vennoot eiseres] zich heeft laten vergezellen van een ervaren arbeidsrechtadvocaat en dat hij zelf ook een ervaren advocaat is. Voorts kan niet worden gezegd dat er onvoldoende tijd is geweest voor (onderling) beraad over de te treffen regeling.”
r.o. 4.6
“Als er inderdaad vanuit moet worden gegaan dat tijdens de onderhandelingen te kennen is gegeven dat, als hij de vaststellingsovereenkomst niet zou tekenen, er gestemd zou worden en dat er voldoende steun was voor zijn vertrek, dan is dat weinig meer dan een feitelijk juiste mededeling. Niet aannemelijk is dat een (uitgestelde) stemming tot een voor [vennoot eiseres] gunstige uitkomst zou hebben geleid. Niet voor niets werd de discussie na twee uur kennelijk samengevat in de vraag of hij niet de eer aan zichzelf zou moeten houden. Ook als voorts gezegd zou zijn dat [vennoot eiseres] na stemming onder minder goede voorwaarden zou moeten vertrekken, is dat evenmin een onjuiste mededeling. [vennoot eiseres] heeft niet aangevoerd dat hij in geval van stemming met een gunstiger regeling zou vertrekken. Deze opmerkingen kunnen dan ook niet kwalificeren als bedreigingen, ook als zij op een onbehouwen manier naar voren zijn gebracht. Ook de mededeling dat zijn voorschot na stemming zou worden teruggebracht tot € 10.000 per maand kan niet als een oneigenlijk drukmiddel worden gekwalificeerd. Zoals hieronder nog zal blijken, zou zo’n voorschot niet duidelijk uit de pas lopen met zijn (nog te verwachten) omzet. Ten slotte is gemotiveerd betwist dat zou zijn gedreigd met het op kantoor naar buiten brengen van “het verhaal”. Ploum brengt hierover naar voren dat [vennoot eiseres] wel op enig moment te kennen is gegeven dat op kantoor “iedereen altijd alles weet”, hetgeen gezien het feit […]”
r.o. 4.7