Rechtbank Den Haag · 7 oktober 2026
Afwikkeling maatschap: vennoten dragen schulden bij helfte, vordering eenmanszaak op maatschap
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Twee voormalige partners die samen een maatschap hadden, procederen over een lening aan de eenmanszaak van de een en over de afrekening tussen die eenmanszaak en de maatschap. De rechtbank oordeelt dat vennoten de huur en de door de eenmanszaak betaalde schulden van de maatschap bij helfte dragen, en dat de eenmanszaak de helft van haar vordering op de maatschap bij één vennoot mag opeisen, ook al is de maatschap nog niet afgewikkeld. De doorbelasting van personeels- en materiaalkosten is niet bewezen en verrekening is niet mogelijk omdat de maatschap een afgescheiden vermogen heeft.
Kernoverwegingen
“De rechtbank volgt de man hierin niet. De huurovereenkomst is niet met hem in persoon gesloten, maar met de maatschap. De maatschap kon nog wel van het pand gebruik maken en heeft dat ook gedaan. De man deelt verder mee per datum ontbinding van de maatschap mee in de bestaande verliezen (dan wel winsten) en tot datum ontbinding dienen de met de orthodontiebehandeling gemoeide opbrengsten in de maatschap te worden geboekt. Er is dus geen reden voor het oordeel dat de man over deze maanden niet aan de huur zou hoeven bijdragen, omdat de vrouw hem (na een ruzie) de toegang tot de praktijkruimte heeft ontzegd. Dit betekent dat de onder a) gevoerde post toewijsbaar is. Hieraan doet niet af dat de afwikkeling van de maatschap nog niet afgerond is. Met de afwikkeling van de maatschap heeft de eenmanszaak van de vrouw (als schuldeiseres) immers niets van doen. Het staat deze schuldeiseres in dit geval vrij de helft van haar op de maatschap gepretendeerde vordering bij de man als één van de vennoten op te vorderen.
Afrekening personeelskosten en techniekkosten dan wel materiaal kosten (posten b en c)”
r.o. 5.16
“Vaststaat dat de vrouw, via haar eenmanszaak, de externe crediteuren van de maatschap (zoals [crediteur] en de boekhouder) heeft voldaan. Ter zitting is tussen partijen komen vast te staan dat met deze post het in het rapport [adviesbureau] op pag. 38 genoemde bedrag van € 91.779 is gemoeid. Partijen hebben immers desgevraagd beiden uitdrukkelijk verklaard zich in dit bedrag te kunnen vinden. De rechtbank gaat hierom voorbij aan de latere mededeling van de man ter zitting dat hij bang is dat (naar de rechtbank begrijpt: voor de maatschap nadelige en voor de eenmanszaak van de vrouw gunstige) betaalafspraken zijn gemaakt over leveranties aan de eenmanszaak en aan de maatschap, in verband met openstaande facturen van [crediteur] . Gesteld noch gebleken is dat dergelijke afspraken daadwerkelijk zijn gemaakt. Nu ook deze post door partijen als vennoten 50-50 moet worden gedragen, en de eenmanszaak deze post voor de maatschap heeft voldaan, is het door de vrouw gevorderde bedrag van € 45.302,94 in beginsel toewijsbaar, zij het dat partijen strijden over de vraag of de man moet meebetalen aan de aan de onder 3.23 vermelde facturen van de boekhouder (rapport [adviesbureau] pag. 23 e.v., en bijlage 6). De vrouw meent van wel en de man van niet. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.”
r.o. 5.19
“De boekhouder heeft voor haar werkzaamheden vier facturen verstuurd, tot een bedrag van € 13.575,- exclusief BTW. Deze werkzaamheden betroffen, blijkens de omschrijving op de facturen, het boeken van de administratie over geheel 2021, 2022, 2023 en de maanden januari - april 2024, het samenstellen van de jaarrekeningen over die jaren en het uitzoeken van overboekingen tussen de eenmanszaak en de maatschap. Dergelijke kosten moeten in beginsel bij helfte door de vennoten worden gedragen (zo volgt uit artikel 10 lid 3 van de maatschapsovereenkomst). De vrouw was ingevolge artikel 8 van de maatschapsovereenkomst zelfstandig bevoegd aan de boekhouder te vragen om de boekhouding op orde te maken. Bovendien kan er (gezien de in het rapport [adviesbureau] op pagina 24 aangehaalde e-mails, zie ook bijlage 6) in redelijkheid geen twijfel over bestaan dat de man, die de boekhouder oorspronkelijk zelf had ingeschakeld, er op dat moment mee instemde dat zij de administratie ging opruimen en een en ander in orde ging maken. De boekhouder moest juist zoveel werk verzetten omdat de man zijn administratieve taken had verwaarloosd. De man is dus gehouden de helft van het door de boekhouder gefactureerde bedrag aan de vrouw te voldoen. Aan dit oordeel doet niet af dat de man en de boekhouder gebrouilleerd zijn geraakt en ook niet dat de rechtbank verschillende door de boekhouder (naar de rechtbank aanneemt: in overleg met de vrouw gemaakte) keuzes niet onderschrijft. Voldoende aannemelijk is […]”
r.o. 5.20