Rechtbank Den Haag · 23 september 2026
Verdeling ontbonden vof: benoeming deskundigen voor eindbalans en waardering
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een tussenvonnis in een geschil over de verdeling van een ontbonden vennootschap onder firma. De rechtbank gaat niet terug op eerdere bindende eindbeslissingen, onder meer over de door een vennoot ingebrachte sieraden en horloges. Zij is voornemens een registeraccountant te benoemen om de eindbalans op te stellen en een taxateur voor de bedrijfsvoorraad, en laat partijen zich daarover uitlaten.
Kernoverwegingen
“Deze zaak gaat over de verdeling van de per 14 augustus 2025 ontbonden vennootschap onder firma [bedrijf] . In het tussenvonnis van 20 mei 2026 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank onder meer overwogen dat een deskundigenbericht zal worden gelast om de waarde van de onderneming te bepalen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld deskundigen voor te stellen en zich uit te laten over de in het tussenvonnis geformuleerde vragen. Vervolgens heeft een aktewisseling plaatsgevonden, waarna mr. Krekel bij brief van 3 juni 2026 bezwaar heeft gemaakt tegen de randnummers 7 en 9 van de akte van [eiseres] . Mr. Hommel heeft op dit bezwaar gereageerd bij brief van 12 juni 2026.
Bezwaar [gedaagde] , terugkomen op bindende eindbeslissingen?”
r.o. 2.1
“De rechtbank maakt uit deze randnummers op dat [eiseres] de rechtbank verzoekt terug te komen op bindende eindbeslissingen in het tussenvonnis inhoudende dat i) de vordering van [eiseres] tot afgifte van de administratie aan haarzelf zal worden afgewezen en ii) dat [gedaagde] ter waarde van € 183.668,92 aan sieraden en horloges in de vof heeft ingebracht. Voor dergelijke beslissingen geldt de hoofdregel dat daarvan in dezelfde instantie niet meer kan worden teruggekomen. Als partijen het niet eens zijn met een beslissing is het in beginsel de bedoeling dat een rechtsmiddel wordt ingesteld. Dit uitgangspunt geldt echter niet onverkort. De eisen van de goede procesorde kunnen ook meebrengen dat de rechtbank van zo’n eindbeslissing terugkomt, als blijkt dat de beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Dit is bijvoorbeeld het geval als het oordeel was gegrond op een onhoudbare feitelijke lezing van een of meer gedingstukken, welke lezing, bij handhaving, zou leiden tot een einduitspraak waarvan de rechter overtuigd is dat die ondeugdelijk zou zijn. Daarbij geldt dat de rechter bevoegd is om aan een verzoek om terug te komen van een eindbeslissing voorbij te gaan, als dat verzoek is gestoeld op feiten en stellingen die al eerder in de procedure ter kennis van de rechter en de wederpartij zijn gebracht of, gelet op het partijdebat, hadden moeten zijn gebracht. Het enkele gegeven dat [eiseres] verzoekt om terug te komen op bindende eindbeslissingen van […]”
r.o. 2.4
“Ten aanzien van beslissing i) geldt dat partijen het inmiddels erover eens zijn dat [eiseres] alle stukken krijgt die aan de deskundige(n) zullen worden verstrekt (zie hierna onder 2.8.), zodat het reeds om die reden niet nodig is dat de rechtbank terugkomt op deze beslissing. Uit hetgeen [eiseres] verder heeft aangevoerd volgt niet dat beslissing ii) berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Er is dus geen grond om van die beslissing terug te komen.
De te benoemen deskundige(n)”
r.o. 2.5