← Week 14

Rechtbank Gelderland · 27 februari 2026

Hoofdelijke aansprakelijkheid voormalige vof-vennoten voor leaseschuld; vrijwaring tussen vennoten

  • Personenvennootschappen
  • Personenvennootschappen

Samenvatting

Een leasemaatschappij vordert betaling van een leaseschuld van een opgeheven vof bij twee voormalige vennoten. De kantonrechter oordeelt dat beide vennoten op grond van artikel 18 Wetboek van Koophandel hoofdelijk aansprakelijk blijven, ook na uittreding van één van hen en na het einde van de vof, zolang de schuldeiser hen niet heeft ontslagen. Afspraken tussen de vennoten onderling doen daaraan niet af. De vrijwaring van de uitgetreden vennoot tegen de voortzettende vennoot wordt bij verstek toegewezen.

Kernoverwegingen

“Uit artikel 18 van het Wetboek van Koophandel volgt dat elk van de vennoten van een vof hoofdelijk aangesproken kan worden op de verplichtingen die namens de vof zijn aangegaan. Dit uitgangspunt is ook vervat in artikel 1.3 van de algemene voorwaarden. Deze aansprakelijkheid eindigt niet op het moment dat de vof ophoudt te bestaan. Dit betekent dat [eiser] zich ook na ontbinding van de vof zowel tot [gedaagde 2] als [gedaagde 1] kan wenden voor betaling. Er bestaat geen wettelijke verplichting voor [eiser] om in geval van ontbinding van de vof een nieuw contract aan te bieden aan een van de vennoten en de andere vennoot op die manier van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan. Uit de stellingen van zowel [eiser] als [gedaagde 1] blijkt dat zij hebben gesproken hebben over een eventuele contractovername, maar dat dit niet tot een definitieve contractovername heeft geleid. Dit brengt mee dat initiële overeenkomsten in stand zijn gebleven, als gevolg waarvan de hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde 2] jegens [eiser] nimmer is komen te vervallen.”

r.o. 5.9

“Dat [gedaagde 1] volgens [gedaagde 2] de schulden van de vof zou aflossen, of dat [gedaagde 1] vindt dat [gedaagde 2] ook zijn aandeel moet betalen, maakt dat niet anders. Hoe zij de verplichtingen binnen de vof hebben geregeld is iets wat tussen hen onderling speelt en daar heeft [eiser] niets mee te maken. Ook de stelling van [gedaagde 2] dat aan hem is meegedeeld dat hij geen actie hoefde te ondernemen naar aanleiding van een aanmaning en dat [eiser] eerst zou proberen de vordering op [gedaagde 1] te verhalen brengen niet zonder meer mee dat [gedaagde 2] gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat hij in het geheel niet meer aangesproken zou worden tot betaling van de vordering van [eiser] . [gedaagde 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij de brieven van [eiser] , ook na uittreding uit de vof, op zijn adres heeft ontvangen. Uit die correspondentie kon [gedaagde 2] begrijpen dat [gedaagde 1] de contractovername niet definitief had geregeld en hij dus (nog) niet ontslagen was van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid. Dat [gedaagde 1] sinds de uittreding van [gedaagde 2] uit de vof enkele huurtermijnen heeft betaald en [eiser] op enig moment betaallinks aan [gedaagde 1] (zijn nieuwe bedrijf) heeft gestuurd, maakt dat ook niet anders. [eiser] heeft nimmer expliciet aan [gedaagde 2] meegedeeld dat hij definitief was ontslagen van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid en betaling van leasetermijnen kan ook door een derde plaatsvinden, zonder dat daarmee een […]”

r.o. 5.10

“Moeten wij incassokosten maken, dan zijn die voor uw rekening. Die kosten worden berekend met de percentages zoals dan beschreven in het “Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten”.”

r.o. 6.4

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:1795
Instantie
Rechtbank Gelderland
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
27 februari 2026
Datum publicatie
31 maart 2026
Spoor
Personenvennootschappen
Thema
Personenvennootschappen
Weekoverzicht
Week 14 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.