← Week 14

Rechtbank Gelderland · 23 maart 2026

Belanghebbende bij ontslag en benoeming stichtingsbestuurders; verzoekers niet-ontvankelijk

  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een stichting en drie erfgenamen van een overleden persoon verzochten om ontslag van de bestuurders van een andere stichting en benoeming van nieuwe bestuurders op grond van artikel 2:298 en 2:299 BW. De rechtbank oordeelt dat zij geen belanghebbenden zijn. Een statutaire doelstelling, erfgenaamschap zonder aangetoonde schade voor de nalatenschap, voormalig bewindvoerderschap en een emotioneel belang volstaan niet. Het Openbaar Ministerie is de toezichthouder op stichtingen. De verzoekers worden niet-ontvankelijk verklaard.

Kernoverwegingen

“Een bestuurder van een Stichting kan op verzoek van het openbaar ministerie (OM) of een belanghebbende door de rechtbank worden ontslagen wegens verwaarlozing van zijn taak, andere gewichtige redenen, of ingrijpende wijzigingen van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van het bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld (artikel 2:298 lid 1 BW). Wanneer door het ontslag van een bestuurder geen of te weinig bestuurders overblijven kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende of het OM één of meer nieuwe bestuurders benoemen (artikel 2:299 BW). De wet vermeldt niet in het algemeen wie tot de belanghebbenden zijn te rekenen bij een verzoek tot ontslag en benoeming van bestuurders van een Stichting op grond van dit artikel. Wie belanghebbende zijn moet uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid. Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.”

r.o. 4.2

“Stichting [verzoekende stichting] is geen belanghebbende bij dit verzoek. Dat zij om te voldoen aan haar statutaire doelstelling een zorgboerderij wil oprichten op de locatie van de boerderij, die eigendom is van stichting [verwerende stichting] , is onvoldoende om als belanghebbende te worden aangemerkt. Een andere grond waarop Stichting [verzoekende stichting] als belanghebbende kan worden aangemerkt is niet gesteld en is de rechtbank ook niet gebleken. Zo is er niet gebleken van een rechtstreeks eigen belang waarvoor zij in deze procedure moet kunnen opkomen, bijvoorbeeld dat stichting [verzoekende stichting] een bepaald recht zou hebben op de boerderij, op grond waarvan stichting [verwerende stichting] gehouden kan worden om met de wensen van Stichting [verzoekende stichting] wat betreft de locatie van een op te richten zorgboerderij rekening te houden. Verder is er geen zodanige nauwe betrokkenheid gebleken van stichting [verzoekende stichting] bij stichting [verwerende stichting] , de boerderij of het functioneren van de huidige bestuurders van stichting [verwerende stichting] dat daarin een belang is gelegen voor stichting [verzoekende stichting] om in deze procedure te verschijnen. Zo behoort stichting [verzoekende stichting] bijvoorbeeld niet tot een kring van personen die betrokken was of is geweest bij stichting [verwerende stichting] , zoals een oprichter, (voormalig) bestuurder of iemand die in potentie een begunstigde van deze stichting kan zijn.”

r.o. 4.3

“Stichting [verzoekers] betogen dat [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] als erfgenamen van [erflater] belanghebbende zijn bij het verzoek, omdat de nalatenschap van [erflater] schade heeft geleden doordat [vertegenwoordigend verweerder] en [belanghebbende] hun taak als bestuurders hebben verwaarloosd. De door [erflater] , en nu dus zijn nalatenschap, geleden schade zou volgens stichting [verzoekers] zijn ontstaan doordat een melkquotum is verdwenen, wat niet is verantwoord, en omdat ontvangen pachtpenningen noch aan [erflater] , noch aan het onderhoud van de boerderij zijn besteed. [erflater] is in het verleden aanzienlijke inkomsten uit de verpachting van de boerderij en de verhuur van het boerenwoonhuis misgelopen, welke inkomsten in de toekomst bovendien gevaar lopen vanwege het achterstallige onderhoud aan de boerderij. Daarnaast bestaat de schade uit kosten voor het herstellen van de opstallen, zoals het boerenwoonhuis, aldus steeds stichting [verzoekers] De rechtbank is van oordeel dat zelfs als hetgeen stichting [verzoekers] hier stellen juist zou zijn, wat vooralsnog niet vaststaat nu [vertegenwoordigend verweerder] en stichting [verwerende stichting] dit gemotiveerd hebben betwist, dit enkel tot de conclusie kan leiden dat stichting [verwerende stichting] minder inkomsten heeft genoten en meer kosten moet maken dan als de gestelde taakverwaarlozing achterwege zou zijn gebleven. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de gestelde […]”

r.o. 4.5

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:2312
Instantie
Rechtbank Gelderland
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
23 maart 2026
Datum publicatie
2 april 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:298 BW, 2:299 BW, 2:297 BW
Thema
Vereniging, stichting en coöperatie
Weekoverzicht
Week 14 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.