← Week 17

Rechtbank Gelderland · 22 april 2026

Aansprakelijkheid van bank, vennoten-bestuurders en Belastingdienst voor faillissementsaanvraag afgewezen

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een gefailleerde bestuurder en aandeelhouder spreekt de bank, een bankmedewerker, de Belastingdienst en de bestuurders en aandeelhouders van een Belgische vennootschap aan voor de schade door zijn faillissement. De rechtbank past de strenge maatstaf voor aansprakelijkheid van een faillissementsaanvrager toe. De vennootschap mocht uitgaan van een vordering, omdat zij over een toewijzend vonnis beschikte. Haar bestuurders handelden dus ook niet onrechtmatig. Alle vorderingen worden afgewezen.

Kernoverwegingen

“Als een schuldeiser een faillissement aanvraagt dat op zijn aanvraag wordt uitgesproken maar in hoger beroep wordt vernietigd, dan is deze schuldeiser alleen aansprakelijk voor dat faillissement, als deze schuldeiser wist of behoorde te weten dat er geen grond bestond voor het uitspreken van het faillissement of als hij anderszins misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt door het faillissement aan te vragen. Dat heeft de Hoge Raad overwogen in een arrest van 11 december 2020.”

r.o. 5.1

“In dit geval is het faillissement van [de eiser] niet vernietigd. Tegen het arrest van het hof waarbij het faillissement is uitgesproken is geen cassatie ingesteld en met het verstrijken van de cassatietermijn is die uitspraak onherroepelijk geworden. Over de vraag of de schuldeiser die een faillissement aanvraagt ook aansprakelijk kan zijn voor een faillissement dat op zijn aanvraag wordt uitgesproken in het geval dat het niet later wordt vernietigd, heeft de Hoge Raad zich niet uitgelaten. Als dat al mogelijk is, dan geldt daarvoor ten minste dezelfde strenge toets als voor het geval dat het faillissement wel later wordt vernietigd. Met andere woorden: als de aanvrager in dat geval niet wist of behoorde te weten dat er geen grond bestond voor het uitspreken van het faillissement of als hij anderszins geen misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt door het faillissement aan te vragen, is hij hoe dan ook niet aansprakelijk.

De vorderingen op de bank”

r.o. 5.2

“Toen BricXchange het faillissement van [de eiser] aanvroeg, beschikte zij over het vonnis van 4 februari 2015, waarbij de rechtbank Zeeland-West-Brabant haar vordering op [de eiser] had toegewezen. Op die grond mocht zij er toen van uitgaan dat zij een vordering op [de eiser] had. Dat wordt niet anders doordat de rechtbank de veroordeling tot betaling van de hoofdsom niet uitvoerbaar bij voorraad had verklaard. Uitvoerbaarverklaring bij voorraad ziet immers niet op het bestaan van de vordering maar op de executeerbaarheid van de titel. Het wordt ook niet anders doordat het vonnis uiteindelijk is vernietigd, na een lange procedure in de loop waarvan BricXchange zelf failliet is verklaard. [de eiser] heeft immers niet gesteld, laat staan voldoende onderbouwd, dat BricXchange in deze procedure tegen beter weten in een standpunt heeft ingenomen dat evident onverdedigbaar was en dat dit bovendien al zo was toen zij zijn faillissement aanvroeg.”

r.o. 5.12

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:3220
Instantie
Rechtbank Gelderland
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
22 april 2026
Datum publicatie
22 april 2026
Spoor
Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
beide
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 17 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.