Rechtbank Gelderland · 19 januari 2026
Ontslag stichtingsbestuurder wegens taakverwaarlozing en privé-uitgaven (artikel 2:298 BW)
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een rekeninghouder verzoekt de rechtbank de enige bestuurder van een stichting die een rentevrije munt exploiteert te ontslaan op grond van artikel 2:298 BW. De rechtbank wijst het verzoek toe: de bestuurder heeft zijn taak verwaarloosd door veiligheidsnormen te overtreden en de munt als betaalmiddel onbruikbaar te laten worden, en er zijn gewichtige redenen omdat hij stichtingsgeld structureel voor privé-uitgaven heeft gebruikt en edelmetaal heeft toegeëigend. Twee nieuwe bestuurders worden benoemd.
Kernoverwegingen
“De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] belanghebbende is bij de door hem gedane verzoeken. Hij is namelijk houder van een betaalrekening en ondervindt er daarom nadeel van dat, zoals onweersproken is gesteld, het betaalsysteem niet meer functioneert doordat de Florijn niet meer kan worden gekocht en verkocht en er geen Florijnen meer van de betaalrekening kunnen worden opgenomen. Dat heeft tot gevolg dat [verzoeker] feitelijk geen gebruik meer kan maken van de op zijn betaalrekening aanwezige Florijnen. Bij het aanmerken van [verzoeker] in zijn hoedanigheid van rekeninghouder als belanghebbende hecht de rechtbank er mede belang aan dat [verweerder 2] een door een (inmiddels) weliswaar groot aantal personen gebruikt, maar nog steeds niet algemeen aanvaard betaalmiddel exploiteert en beheert (althans geacht wordt dat te doen) en daarbij niet, althans niet voor de rechtbank kenbaar, aan enig feitelijk toezicht lijkt te zijn onderworpen. Dat maakt dat haar rekeninghouders de bescherming die bijvoorbeeld houders van “reguliere” bankrekeningen zouden moeten genieten lijken te ontberen. Het voorgaande geldt, om dezelfde redenen, ook voor de belanghebbenden sub 5 tot en met 53.
[verweerder 1] wordt ontslagen; [verzoeker] en [belangh 4] worden benoemd als bestuurders”
r.o. 5.2
“De rechtbank is van oordeel dat [verweerder 1] zijn taak als bestuurder heeft verwaarloosd en dat er ook andere gewichtige redenen zijn op grond waarvan hij niet langer kan aanblijven als bestuurder.”
r.o. 5.5
“Een andere gewichtige reden voor ontslag van [verweerder 1] als bestuurder van [verweerder 2] zijn de betalingen van in totaal € 128.000,00 die hij heeft verricht vanaf de bankrekening van [verweerder 2] aan derden in de periode van januari 2025 tot en met augustus 2025. [verzoeker] heeft gesteld dat deze betalingen geen verband houden met het doel van [verweerder 2] en dat het hier om privé-uitgaven van, althans ten behoeve van [verweerder 1] gaat. [verweerder 1] , die niet in de procedure is verschenen en geen verweer heeft gevoerd, heeft dit niet betwist. Gelet op de omschrijvingen (of het gebrek daaraan) bij de betalingen acht de rechtbank dit ook voldoende aannemelijk. Wat betreft de betalingen die zijn aangeduid met “lening”, krediet”, “aflossing” en “terugbetaling” hecht de rechtbank er daartoe mede belang aan dat volgens de hiervoor bij 3.5. genoemde notitie [verweerder 2] geen leningen verstrekt. De betalingen zijn dus niet te verklaren vanuit de normale activiteiten van [verweerder 2] . Dat betaling van de huur van [verweerder 1] en betalingen aan verkopers van testosteronpillen en seksdatingsites niet als betalingen ten behoeve van [verweerder 2] kunnen worden aangemerkt behoeft geen nadere toelichting. Voor het doen van privé-uitgaven zijn de gelden op de hiervoor genoemde bankrekening uiteraard niet bedoeld, nog daargelaten of die alleen zouden mogen worden aangewend in het kader van het zogenaamde stabilisatiefonds, hetgeen door [verzoeker] eveneens onbetwist […]”
r.o. 5.7