Rechtbank Gelderland · 5 februari 2026
Waardeloosverklaring hypotheken na ontbinding hypotheeknemer; vennootschap opgehouden te bestaan
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Hypotheekgevers vorderen in kort geding waardeloosverklaring van hypothecaire inschrijvingen ten behoeve van een ontbonden vennootschap. De voorzieningenrechter oordeelt op grond van artikel 2:19 lid 4 BW dat de vennootschap is opgehouden te bestaan en niet meer kan worden gedagvaard, zodat de vorderingen tegen haar niet-ontvankelijk zijn. De hypotheekgevers zijn echter zelfstandig belanghebbenden, waarna de inschrijvingen op grond van artikel 3:29 BW waardeloos worden verklaard en het vonnis door berusting direct in kracht van gewijsde gaat.
Kernoverwegingen
“[gedaagde] is ontbonden en had op het moment van ontbinding geen baten meer. Op grond van artikel 2:19 lid 4 BW is [gedaagde] opgehouden te bestaan. Een niet bestaande partij kan niet worden gedagvaard of op andere wijze worden betrokken in een procedure. [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] zijn daarom niet-ontvankelijk in hun vorderingen tegen [gedaagde]
onmiddellijk belanghebbenden”
r.o. 3.4
“Ondanks dat [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen tegen [gedaagde] , zijn zij wel aan te merken als onmiddellijk belanghebbenden, zoals bedoeld in artikel 3:29 lid 1 BW. [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] hebben daarom een zelfstandig belang om de hypothecaire inschrijvingen waardeloos te laten verklaren.”
r.o. 3.5
“[eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] hebben op voorhand in zowel de dagvaarding als ter zitting verklaard dat zij niet in hoger beroep gaan tegen dit vonnis mits de verklaringen van waardeloosheid wordt toegewezen. Nu deze verklaringen wordt toegewezen, is sprake van berusting zoals bedoeld in artikel 334 Rv. Hierdoor staat geen rechtsmiddel meer open tegen dit vonnis en gaat het vonnis per heden in kracht van gewijsde. Hierdoor is het direct mogelijk om deze verklaringen in te schrijven zoals bedoeld in artikel 3:29 lid 4 BW.
Proceskosten”
r.o. 3.10