← Week 5

Rechtbank Limburg · 21 januari 2026

Turboliquidatie: bestuurder niet persoonlijk aansprakelijk voor onbetaalde boete en schade

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
  • Jaarrekening
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een schuldeiser stelde de bestuurder van een turboliquideerde vennootschap persoonlijk aansprakelijk voor een eerder toegewezen boete en schadevergoeding. De rechtbank wijst alle grondslagen af: aan de mededelingsplicht van artikel 2:19b BW is geen sanctie verbonden, het peilmoment voor Beklamel-aansprakelijkheid ligt na het sluiten van de overeenkomst, vereffening had de verhaalsmogelijkheden niet veranderd, er was geen misleidende jaarrekening (artikel 2:249 BW) en er waren geen baten die vereffening vereisten.

Kernoverwegingen

“Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] door haar niet voorafgaand aan de turboliquidatie over dit voornemen te informeren niet onrechtmatig jegens SLF gehandeld, omdat daartoe ook geen verplichting bestaat. Op grond van artikel 2:19b lid 2 BW bestaat wel de verplichting om SLF (als schuldeiser van [bedrijf]) achteraf over de liquidatie te informeren, maar aan deze verplichting is daarentegen bij niet-naleven geen sanctie verbonden. In het midden kan blijven of met de brief van 10 augustus 2024 is voldaan aan de mededelingsplicht in artikel 2:19b lid 2 BW, nu aan niet-naleving van die bepaling geen sanctie is verbonden en reeds daarom geen sprake kan zijn van onrechtmatig handelen. Bovendien is niet gebleken dat SLF door het niet (tijdig) informeren schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat deze door SLF aangevoerde grondslag faalt.

Schending Beklamel-norm?”

r.o. 4.4

“De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een schending van de Beklamel-norm, omdat het peilmoment gelegen is na het sluiten van de koopovereenkomst. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd toegelicht dat hij pas – na het sluiten van de koopovereenkomst op 10 januari 2020 – een afwijzend bericht van de Rabobank op 25 maart 2020 en een afwijzend bericht van de ING Bank op 11 mei 2020 ontving, waardoor hij ook pas op dat moment wist dat [bedrijf] de financiering voor het bedrijfspand niet rond kreeg. Dat [bedrijf] haar bedrijfsactiviteiten eerder had gestaakt en weinig tot geen eigen vermogen had, doet aan het voorgaande niet af. [gedaagde] heeft immers onweersproken toegelicht dat hij voor [bedrijf] een nieuwe bedrijfsactiviteit had ontwikkeld met het oog op het genereren van (nieuwe) inkomsten, waarvoor een bedrijfsplan was opgesteld waaruit bleek dat zij in staat was om aan de verwachte maandelijkse aflossing te voldoen. De rechtbank is om die reden van oordeel dat het voor [gedaagde] op voorhand niet voorzienbaar was dat de financiering niet zou worden verstrekt, te meer nu de hypotheekaanvraag mede namens de andere vennootschappen was gedaan. [gedaagde] heeft niet onrechtmatig jegens SLF gehandeld, waardoor hem geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat deze grondslag niet slaagt.

Schending New Holland Belgium-norm?”

r.o. 4.8

“De rechtbank is van oordeel dat niet vaststaat dat [gedaagde] heeft bewerkstelligd of toegelaten dat [bedrijf] niet aan haar verplichtingen uit de koopovereenkomst kon voldoen en geen verhaal kon bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Ook in het geval wel een reguliere vereffening had plaatsgevonden, had [bedrijf] namelijk niet aan de verplichtingen uit de koopovereenkomst kunnen voldoen. Niet gebleken is immers dat [bedrijf] nog activa beschikbaar had om het bedrijfspand te financieren of de boete te betalen, noch dat zij activa had die zij heeft weggemaakt. Nu het achterwege laten van een reguliere vereffening niets aan de vermogenstoestand van [bedrijf] wijzigt, kan SLF niet worden benadeeld in haar verhaalsmogelijkheden als gevolg van het achterwege laten van een dergelijke vereffening. Er is dus geen sprake van een persoonlijk ernstig verwijt van [gedaagde] , waardoor hij ook niet onrechtmatig jegens SLF heeft gehandeld. Het beroep van SLF op deze grondslag slaagt niet.

Misleidende jaarrekeningen?”

r.o. 4.12

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:326
Instantie
Rechtbank Limburg
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
21 januari 2026
Datum publicatie
29 januari 2026
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW, 2:19 BW, 2:19b BW, 2:249 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Ontbinding, vereffening en turboliquidatie, Jaarrekening
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 5 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.