Rechtbank Limburg · 28 januari 2026
Verdeling maatschapsvermogen bij bindend advies; geen vernietiging op grond van artikel 7:904 BW
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Twee voormalige maten hebben de afwikkeling van hun agrarische maatschap opgedragen aan een bindend adviseur, die het maatschapsvermogen heeft verdeeld. De ene maat vordert nakoming, de andere vernietiging wegens gebrekkige waardering en motivering. De rechtbank toetst terughoudend op grond van artikel 7:904 BW, acht de waardering en verdeling voldoende gemotiveerd en wijst vernietiging af. De in het bindend advies opgenomen boetes worden afgewezen bij gebrek aan bevoegdheid van de bindend adviseur.
Kernoverwegingen
“Op grond van artikel 7:904 lid 1 BW is een bindend advies vernietigbaar als dit door de inhoud daarvan of de manier waarop dit tot stand gekomen is zo gebrekkig is, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als partijen daaraan gebonden zouden zijn. Uit rechtspraak volgt dat de rechter bij deze toets terughoudend dient te zijn. De beslissing is slechts dan aantastbaar indien de beslissende persoon, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Voor vernietiging is geen plaats als het gaat om een beslissing waarover redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen. Uitsluitend ernstige gebreken kunnen aanleiding geven tot vernietiging.”
r.o. 4.4
“Op de vraag in hoeverre een bindend advies moet worden gemotiveerd valt volgens jurisprudentie van de Hoge Raad geen algemeen antwoord te geven (Hoge Raad 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5890). Naarmate het bindend advies meer het karakter van rechtspraak heeft, behoort de beslissing meer en beter te worden gemotiveerd. Als het gevraagde oordeel meer op intuïtief inzicht berust, kunnen omgekeerd aan dat oordeel lagere motiveringseisen worden gesteld. Bij een bindend advies dat strekt tot verdeling van vermogensbestanddelen geldt een grote beoordelingsvrijheid van de bindend adviseur en daarmee een minder formele benadering.
Geen grond voor vernietiging”
r.o. 4.6
“Als [persoon 2] suggereert dat de bindend adviseur voor elk vermogensbestanddeel gehouden zou zijn om een uitgebreide en gemotiveerde taxatie uit te voeren, dan legt hij een maatstaf aan die geen steun vindt in het recht. Hierbij moet ook bedacht worden dat de bindend adviseur niet moet worden benaderd als een wederpartij in een procedure maar als een inhoudelijk deskundige die als bindend adviseur door partijen is belast met een verdeling van het maatschapsvermogen door middel van een bindend advies.”
r.o. 4.10