Rechtbank Midden-Nederland · 1 april 2026
Kort geding: verdeling praktijkruimtes na einde kostenmaatschap huisartsen afgewezen
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
In kort geding vorderde een huisartsenpraktijk medewerking van de andere praktijk aan een andere tijdelijke verdeling van de werkruimtes in het gezamenlijke pand, nadat hun kostenmaatschap was geëindigd. De voorzieningenrechter overweegt dat het huur- en gebruiksrecht nog tot het onverdeelde maatschapsvermogen behoort en dat de verdeling daarvan in een lopende procedure aan de orde is. Omdat ook een spoedeisend belang ontbreekt, worden de vorderingen afgewezen.
Kernoverwegingen
“Het feit dat [gedaagde c.s.] en [eiser c.s.] ieder voor vijftig procent eigenaar zijn van het pand betekent niet dat hen afzonderlijk de helft van het huurrecht, en het daarmee overeenstemmende gebruik van het pand, toekomt. Het is namelijk de maatschap die het pand huurt. Vanaf de beëindiging van de kostenmaatschap wordt er door [eiser c.s.] en [gedaagde c.s.] geen huur betaald. Dit betekent dat [eiser c.s.] zelf geen rechten kan ontlenen aan een huurovereenkomst met [bedrijf] B.V.”
r.o. 3.3
“Het huur- en het daarmee overeenstemmende gebruiksrecht van het pand behoren nog tot het onverdeelde vermogen van de maatschap. De verdeling van (onder meer) dat recht is onderdeel van geschil. Omdat daarover reeds een procedure loopt, is het niet aan de voorzieningenrechter om vast te stellen op welke wijze dat recht al dan niet tijdelijk verdeeld moet worden. Dat geldt ook voor zover [eiser c.s.] zijn vordering op de redelijkheid en billijkheid heeft gebaseerd. Die grondslag is immers niet is los te zien van de rechtsverhouding die na de beëindiging van de maatschap nog tussen partijen bestaat.”
r.o. 3.4
“Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat de verdeling van de kamers verband houdt met de overname van het personeel door [eiser c.s.] en [gedaagde c.s.] afzonderlijk. In de huidige situatie kunnen [gedaagde c.s.] en [eiser c.s.] ieder hun personeel werkruimtes bieden, zij hebben beiden een deel van de receptie en een eigen spreek en -behandelkamer. Het personeel is na de beëindiging van de maatschap en de afzonderlijke indiensttreding bij [eiser c.s.] of [gedaagde c.s.] niet van werkkamer veranderd. Wat dat betreft is er dus geen sprake van een ongelijkwaardige situatie en zeker niet in een mate die met spoed noopt tot een andere verdeling van de werkruimtes. Wellicht is de huidige situatie voor [eiser c.s.] niet ideaal vanuit praktisch oogpunt omdat hij meer heen en weer moet lopen, zijn voorraadkasten in de kamer van de coassistent staan en het in de toekomst lastig zal blijken nieuw personeel een werkruime te bieden. Maar, een indeling die meer tegemoetkomt aan zijn praktische en toekomstige belangen levert geen dringende noodzaak op tot wijziging van de huidige kamerindeling.”
r.o. 3.5