Rechtbank Midden-Nederland · 1 juli 2026
Aansprakelijkheid oud-bestuurder stichting ex artikel 2:9 BW voor onzakelijke lening aan opvolger
- Aansprakelijkheid deels toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een stichting sprak haar oud-bestuurder aan voor de schade door een onzakelijke lening aan de opvolgend bestuurder, die geen verhaal biedt. De rechtbank oordeelt dat de oud-bestuurder de constructie mede heeft voorbereid en daarmee in strijd met de statuten en het doel van de stichting heeft gehandeld. Dat levert een ernstig verwijt op in de zin van artikel 2:9 BW. De vordering wordt grotendeels toegewezen, tot een bedrag van € 52.785,13 plus rente.
Kernoverwegingen
“Het gaat hier om een eventuele aansprakelijkheid van een oud bestuurder van een stichting tegenover die stichting. Zoals hierna wordt besproken is het verwijt dat de Stichting [gedaagde] maakt niet beperkt tot de betaling aan [A] op 23 december 2022, maar ziet het verwijt met name op de constructie die deze betaling mogelijk heeft gemaakt en die tijdens de bestuurdersperiode van [gedaagde] (mede) door hem is voorbereid. Om die reden geldt, ondanks dat [gedaagde] geen bestuurder meer was op het moment dat de lening aan [A] is betaald, toch artikel 2:9 BW als maatstaf.”
r.o. 3.7
“Op grond van artikel 2:9 BW is elke bestuurder gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Van aansprakelijkheid is sprake als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zo zou hebben gehandeld en de bestuurder daarbij een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of sprake is van een ernstig verwijt, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico's, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.
[gedaagde] is tegenover de Stichting aansprakelijk”
r.o. 3.8
“Het optuigen van een constructie die tot doel heeft (oud) bestuurders te begunstigen met gelden die tot het vermogen van de Stichting behoren, past niet bij het voeren van goed beheer over het stichtingsvermogen en het waarborgen dat aan de statuten, waaronder het in artikel 2 neergelegde doel van de Stichting wordt voldaan. [gedaagde] heeft deze constructie (mede) voorbereid. [gedaagde] heeft toen hij nog bestuurder was ook (mede) mogelijk gemaakt dat uitvoering aan deze constructie zou worden gegeven. Bestuursleden worden door het bestuur benoemd. [gedaagde] heeft als statutair bestuurder meegewerkt aan de positionering en benoeming van [A] als enig bestuurder. Dit is in strijd met artikel 4 van de statuten van de Stichting , waarin is bepaald dat het bestuur uit een oneven aantal van ten minste drie leden bestaat. Doordat [A] kort na zijn benoeming enig bestuurder werd, kwam [A] in een zodanige positie te verkeren dat hij (na de betalingen aan [gedaagde] en [B] ) met de rest van het geld van de Stichting zijn gang kon gaan. Er was immers niet langer interne controle mogelijk. [gedaagde] moet zich ervan bewust zijn geweest dat [A] hierdoor gelden aan de Stichting kon onttrekken. [gedaagde] wist immers ook dat de constructie mogelijk maakte dat hij en [B] de gelden ontvingen. Zodoende heeft [gedaagde] in strijd gehandeld met de statutaire bepalingen die de Stichting beogen te beschermen.”
r.o. 3.11