Rechtbank Midden-Nederland · 28 januari 2026
Onbetaalde facturen; beroep op vereenzelviging moeder- en dochtervennootschap afgewezen
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Samenvatting
Een softwareleverancier vordert betaling van openstaande facturen van een moedervennootschap, die zich beroept op corona-omstandigheden bij haar dochtervennootschap. De rechtbank wijst het beroep op vereenzelviging van moeder en dochter af, onder verwijzing naar de zelfstandige rechtspersoonlijkheid van artikel 2:5 BW, en wijst de vordering toe. De contractuele boete wordt gematigd.
Kernoverweging
“Voor zover [gedaagde] een beroep heeft gedaan op vereenzelviging waardoor [gedaagde] en [bedrijf] als dezelfde contractspartij zouden moeten worden gezien, slaagt dit beroep niet. Dit heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. Nog daargelaten dat uit de jurisprudentie volgt dat de lat om vereenzelviging aan te kunnen nemen hoog ligt, heeft [gedaagde] hiervoor ook te weinig gesteld. [gedaagde] voert in dat kader slechts aan dat er sprake is van een directe economische en functionele verwevenheid tussen [gedaagde] en [bedrijf] , omdat [bedrijf] de facturen betaalde van de inkomsten van de exploitatie door [bedrijf] . Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] en [bedrijf] daarmee geen zelfstandige identiteit en rechtspersoonlijkheid hebben zoals volgt uit artikel 2:5 BW. Ook heeft [gedaagde] niet aangevoerd dat sprake is van crediteursbenadeling door het misbruik van het identiteitsverschil tussen [gedaagde] en [bedrijf] , zoals bedoeld in de uitspraak van de Hoge Raad van 13 oktober 2000 (ECLI:NL:PHR:2000:AA7480, (Rainbow Products/Ontvanger)).
[gedaagde] kan geen geslaagd beroep doen op onvoorziene omstandigheden wegens corona”
r.o. 3.6