Rechtbank Noord-Holland · 23 september 2026
Bestuurdersaansprakelijkheid 2:248 BW; feitelijk beleidsbepaler niet gelijkgesteld met bestuurder
- Aansprakelijkheid deels toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
Samenvatting
De curator in het faillissement van een bv vordert op grond van artikel 2:248 BW dat de bestuurder en diens echtgenote (als vermeende feitelijk beleidsbepaler) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het boedeltekort. De rechtbank oordeelt dat de bestuurder zijn administratie- en publicatieplicht heeft geschonden, dat het wettelijke vermoeden van een belangrijke oorzaak van het faillissement niet is weerlegd en dat hij aansprakelijk is. De gelijkstelling van de echtgenote met een bestuurder wordt afgewezen, omdat haar werkzaamheden uitvoerend van aard waren en niet is gebleken dat zij bestuursmacht aan zich heeft getrokken.
Kernoverwegingen
“In geval van een faillissement van een besloten vennootschap is iedere bestuurder op grond van artikel 2:248 van het Burgerlijk Wetboek (BW) jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het faillissementstekort indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement. Indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn publicatie- of administratieverplichting, heeft het zijn taak onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.”
r.o. 4.1
“Ook is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 1] niet heeft voldaan aan zijn administratieplicht uit hoofde van artikel 2:10 BW. De curator heeft onweersproken gesteld dat hij geen deugdelijke administratie heeft aangetroffen op de beschikbare gegevensdragers van Hanzade en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2], ondanks verzoek daartoe, de curator niet van een deugdelijke administratie hebben voorzien. Ook is het intrekken van de artikel 23-vergunning in 2023 mede gestoeld op de constatering van de Belastingdienst dat de administratie van Hanzade over de jaren 2018 tot en met 2020 grote verbreken vertoonde. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de douane € 4,5 miljoen aan belasting gevorderd. De stelling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat de oorzaak van het ontbreken van de administratie alleen gelegen is in het feit dat zij in voorlopige hechtenis zaten, is tegen deze achtergrond niet houdbaar. Bovendien is – ook na de opheffing van de voorlopige hechtenis van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] – niet gebleken van het bestaan van enige administratie waaruit de rechten en verplichtingen van Hanzade kunnen worden gekend.”
r.o. 4.4
“Als gevolg van deze schending van de administratie- en publicatieplicht wordt vermoed dat de onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement van Hanzade. Dit vermoeden hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet weerlegd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat zij geen rol hebben kunnen spelen in de beginfase van de afwikkeling van het faillissement en daar geen zicht op hebben gehad als gevolg van hun voorlopige hechtenis. De rechtbank passeert dat verweer. Dat verweer gaat immers voorbij aan de omstandigheden die hebben geleid tot het faillissement. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verder aan dat hun strafrechtelijke veroordelingen nog niet onherroepelijk zijn, zodat niet vast staat dat zij via Hanzade betrokken zijn bij strafbare feiten. Nog daargelaten dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in deze procedure niet gemotiveerd hebben weersproken dat [gedaagde 1] betrokken is geweest bij drugs- en wapendelicten en [gedaagde 2] bij gewoontewitwassen, zoals de curator onder verwijzing naar de strafvonnissen van de rechtbank heeft gesteld, staat in elk geval vast dat de grootste schuld van Hanzade een douaneschuld is van € 4,5 miljoen over de periode oktober 2020 en februari 2023. Deze schuld is mede voortgekomen uit het gebrek aan administratie en een onjuiste toepassing van de vergunning door Hanzade. Ook los van het wettelijke vermoeden is, gelet op de omvang van deze schuld, aannemelijk dat de oorzaak van het […]”
r.o. 4.6