Rechtbank Noord-Holland · 18 maart 2026
Geen persoonlijke aansprakelijkheid middellijk bestuurder aannemer-BV; Beklamel en Driespan niet onderbouwd
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Opdrachtgevers van een verbouwing spreken de (middellijk) bestuurder en aandeelhouder van de aannemings-BV persoonlijk aan voor de schade door slecht en onvoltooid werk. De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst met de BV is gesloten en dat artikel 2:11 BW niet in de weg staat aan zelfstandig onrechtmatig handelen van een middellijk bestuurder. Zij oordeelt dat onvoldoende is onderbouwd dat de bestuurder vóór de peildatum een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken (Beklamel, Driespan, oplichting). De vorderingen worden afgewezen.
Kernoverwegingen
“Een bestuurder is niet snel persoonlijk aansprakelijk voor zijn handelen als bestuurder van een vennootschap. Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, dan is het uitgangspunt dat alleen die vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is er, naast aansprakelijkheid van de vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van die vennootschap. Daarvoor is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap gelden dus hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.”
r.o. 5.7
“Van een persoonlijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder (i) bij het aangaan van een verbintenis wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de rechtspersoon niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de schade die daaruit volgde, of (ii) wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.”
r.o. 5.8
“De rechtbank zal aan dit verweer van de curator voorbijgaan. Artikel 2:11 BW bepaalt dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon ook hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van die rechtspersoon bestuurder is. Het artikel neemt echter niet weg dat een middellijk bestuurder ook zelfstandig onrechtmatig kan handelen. De rechtbank komt op grond van het navolgende echter tot de conclusie dat de verwijten die [eisers] aan [bedrijf 1] maken geen doel treffen.
Beklamel”
r.o. 5.13