Rechtbank Noord-Holland · 8 april 2026
Curator versus bestuurder: administratieplicht online administratie, 2:248 afgewezen, onrechtmatige onttrekkingen toegewezen
- Aansprakelijkheid deels toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
De curator vordert van de bestuurder en enig aandeelhouder van een failliete schoonmaakvennootschap vergoeding van het faillissementstekort wegens onbehoorlijk bestuur, onder meer omdat de administratie zou ontbreken. De rechtbank wijst dit af: de bestuurder had toegang tot de online administratie verleend en het was dan aan de curator om die veilig te stellen; ook ontbreekt voldoende causaal verband met het faillissement. Wel moet de bestuurder de betalingen zonder rechtsgrond aan zichzelf en een gelieerde vennootschap (€ 15.440) en een rekening-courantschuld (€ 59.118) aan de boedel terugbetalen.
Kernoverwegingen
“De rechtbank is van oordeel dat de curator onvoldoende heeft gesteld voor de conclusie dat [gedaagde] geen administratie van [bedrijf 1] heeft bijgehouden als bedoeld in artikel 2:10 BW. Daarmee staat niet vast dat [gedaagde] om die reden zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld. Dat licht de rechtbank hierna toe.”
r.o. 4.9
“De curator verwart hier de administratieplicht, die inderdaad (enkel) op de bestuurder rust, met de verplichting om die administratie voor de curator toegankelijk te maken. Als de bestuurder toegang heeft verleend tot de online administratie, rust vervolgens op de curator de verplichting die administratie veilig te stellen (desgewenst met hulp van een deskundige). De curator had zelf toegang tot de volledige administratie kunnen krijgen doordat Exact bereid was de licentie voor de online administratie voor een periode van twee maanden kosteloos opnieuw te activeren en de curator toegang te verlenen (volgens haar ‘curatorprocedure’), om in die periode de administratie veilig te kunnen stellen. De curator kan daarom niet volstaan met de stelling dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan zijn administratieverplichting omdat hij zelf geen kopie van de online administratie aan de curator heeft verstrekt. Pas nadat de curator de online administratie, waarvoor [gedaagde] hem toegang heeft geboden, heeft onderzocht, kan hij concluderen of [gedaagde] als bestuurder heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van artikel 2:10 BW.”
r.o. 4.12
“Ook als aangenomen kan worden dat [gedaagde] met deze betalingen onrechtmatig heeft gehandeld (zie hierna 4.27 e.v.), heeft de curator niet voldoende gesteld om aan te nemen dat deze onttrekkingen een belangrijke oorzaak zijn van het faillissement van [bedrijf 1] . Gelet op het relatief beperkte bedrag van de onttrekkingen en de periode waarin de onttrekkingen hebben plaatsgevonden, is dat ook niet zonder meer aannemelijk. [gedaagde] heeft de onttrekkingen immers gedaan toen het faillissement al was aangevraagd. Omdat niet aannemelijk is dat de onttrekkingen een belangrijke oorzaak zijn van het faillissement van [bedrijf 1] , kan het onrechtmatig handelen van [gedaagde] niet tot oordeel leiden dat hij als bestuurder jegens de boedel aansprakelijk is voor tekort in het faillissement als bedoeld in artikel 2:248 lid 1 BW.
Conclusie: de rechtbank wijst de primaire vorderingen af”
r.o. 4.15