Rechtbank Noord-Holland · 17 juni 2026
Afwijzing bestuurdersaansprakelijkheid en faillissementspauliana bij onderhandse executoriale verkoop activa
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
De curator in het faillissement van een vennootschap spreekt de (middellijk) bestuurders aan voor het boedeltekort op grond van artikel 2:248 BW, artikel 2:9 BW en artikel 6:162 BW, onder meer wegens het niet deponeren van jaarrekeningen en het doorgaan met de onderneming. De rechtbank oordeelt dat het wettelijk vermoeden van artikel 2:248 lid 2 BW is weerlegd, omdat de terugtrekking van een investeerder een belangrijke oorzaak van het faillissement was, en dat er geen persoonlijk ernstig verwijt is. Ook de vernietiging van de activaovereenkomst wordt afgewezen, omdat sprake was van een rechtsgeldige executoriale verkoop zonder schuldeisersbenadeling.
Kernoverwegingen
“Daarmee komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de bestuurders-aansprakelijkheid. Aan zijn primaire vorderingen (zie 3.1.I. tot en met 3.1.III. van dit vonnis) legt de curator ten grondslag dat [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] op grond van artikel 2:248 BW in samenhang met artikel 2:11 BW aansprakelijk zijn voor het betalen van het boedeltekort omdat zij hun taken als bestuurder kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en het onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement van de vennootschap is geweest. De curator verwijt [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] in dit verband kort gezegd dat (i) de jaarrekeningen over 2020 en 2021 niet zijn gedeponeerd, (ii) de vennootschap haar activiteiten niet heeft gestaakt maar verplichtingen is blijven aangaan, terwijl redelijkerwijs was te voorzien dat deze niet nagekomen zouden worden, (iii) geldlening II en pandakte II onverplicht zijn aangegaan ten koste van de andere schuldeisers en (iv) de activaovereenkomst is gesloten (onverplicht en met benadeling van de andere schuldeisers).”
r.o. 4.18
“Tussen partijen is niet in geschil dat de jaarrekeningen 2020 en 2021 niet zijn gedeponeerd. Daarmee staat op grond van de wet (artikel 2:248 lid 2 BW) vast dat [gedaagde sub 1] en [de B.V. 1] hun taak als bestuurders onbehoorlijk hebben vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Om dit wettelijke vermoeden te ontzenuwen, dienen [gedaagde sub 1] en [de B.V. 1] aannemelijk te maken dat andere van buitenaf komende feiten en omstandigheden dan hun kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest.”
r.o. 4.20
“Daarin zijn zij geslaagd. [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] hebben aannemelijk gemaakt dat de terugtrekking van [S.] op 21 oktober 2022 als investeerder een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Niet in geschil is dat de vennootschap met een structureel liquiditeitstekort kampte, terwijl [de B.V. 1] al in de zomer van 2021 duidelijk had gemaakt geen aanvullende financiering meer te willen verstrekken. Met de door de curator onweersproken serieuze interesse van [S.] had de vennootschap in ieder geval tot 21 oktober 2022 zicht op een substantiële financiering van € 500.000,00. De stelling van de curator dat al van begin af aan duidelijk was dat [S.] het met [de B.V. 1] niet over de voorwaarden eens zou worden en dus niet zou investeren, heeft de curator niet onderbouwd en strookt ook niet met het feit dat [S.] in oktober 2022 nog op kantoor van de vennootschap is geweest om als investeerder kennis te maken. Ook kan de rechtbank de curator niet volgen in zijn stelling dat de vennootschap ook failliet zou zijn gegaan als [S.] wel zou zijn ingestapt omdat dan nog steeds sprake zou zijn geweest (aldus de curator) van een liquiditeitstekort. De curator miskent daarmee namelijk dat het hier gaat om een startende onderneming die pas eind december 2021 beschikte over een boekingssite waarop direct in ‘realtime’ boekingen konden worden gedaan. Dit leidde in 2022 tot een door de curator onweersproken omzetgroei, wat voor [S.] reden was om toch te willen […]”
r.o. 4.21