Rechtbank Oost-Brabant · 17 juli 2026
Opzegtermijn en maatschapsbijdragen na uittreden uit advocatenmaatschap; verrekening na cessie
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een maat treedt uit een advocatenmaatschap (kostenmaatschap) en betaalt de voorschotfacturen niet meer, omdat de maatschap volgens hem is ontbonden en dus geen opzegtermijn geldt. De rechtbank oordeelt dat sprake is van opzegging met een opzegtermijn van zes maanden, waarin de maatschapsbijdrage verschuldigd blijft. Verrekening met tegenvorderingen slaagt niet omdat die niet uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien als de gecedeerde vorderingen. De vorderingen worden grotendeels toegewezen.
Kernoverwegingen
“De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] een beroep doet op artikel 11 en meent dat, omdat de maatschap ontbonden is (op zijn vordering), er geen opzegtermijn is, en hij dus geen kosten meer verschuldigd is. In het midden kan blijven of dat wel zo is – immers staat er in artikel 11 dat aan die maat dezelfde rechten én verplichtingen toekomen als bij een opzegging – omdat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd, in het licht van de gemotiveerde betwisting van [eiser] , dat sprake was van een ontbindingsverklaring.”
r.o. 4.14
“Gelet op het voorgaande, heeft [gedaagde] in het licht van de gemotiveerde betwisting van [eiser] onvoldoende onderbouwd dat sprake is geweest van een ontbindingsverklaring op 15 november 2023. Dat betekent dat uitgegaan moet worden van een opzegging. Op grond van artikel 10 van de maatschapsovereenkomst is sprake van een opzegtermijn van zes maanden. Gelet daarop, is [gedaagde] in beginsel verplicht om zijn maatschapsbijdrage gedurende de opzegtermijn van zes maanden na opzegging te betalen.
Het beroep op de alternatieve afspraak slaagt niet”
r.o. 4.16
“Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat de tegenvorderingen voorvloeien uit dezelfde rechtsverhouding als de gecedeerde vorderingen, als gevolg waarvan deze tegenvorderingen niet voor verrekening in aanmerking kunnen komen.
Kosten bijlage A en B verschuldigd”
r.o. 4.37