Rechtbank Overijssel · 30 januari 2026
Afwijzing ontslag bestuurders van twee stichtingen ex artikel 2:298 BW; inzageverzoek afgewezen
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een vereniging van eigenaren van recreatiewoningen verzoekt de rechtbank om twee bestuurders van twee stichtingen in een recreatieresort te ontslaan op grond van artikel 2:298 BW, en om inzage in stukken. De rechtbank wijst de verzoeken af: de vereniging heeft haar verwijten (statutenschending, tegenstrijdig belang ex artikel 2:291 BW, taakverwaarlozing) onvoldoende onderbouwd en de hoge drempel voor ontslag wordt niet gehaald. Ook het inzageverzoek faalt bij gebrek aan rechtsbetrekking en rechtmatig belang.
Kernoverwegingen
“De rechtbank stelt voorop dat in artikel 2:298 lid 1 BW niet in het algemeen is vermeld wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepaling zijn te rekenen. Dit moet uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid. Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.”
r.o. 5.3
“Voor het ontslag van een bestuurder een hoge drempel geldt. De rechtbank moet terughoudend toetsen, want ontslag is een middel dat zwaar ingrijpt in het bestuur van SBK en SWBR en heeft verstrekkende gevolgen voor de bestuurder(s). Deze hoge drempel wordt in dit geval niet gehaald, want het is niet gebleken dat sprake is van één van de ontslaggronden zoals genoemd in artikel 2:298 lid 1 BW. De rechtbank zal de door de Vereniging gemaakte verwijten hieronder per verwijt bespreken. De rechtbank merkt daarbij op dat de Vereniging met betrekking tot de door haar gemaakte verwijten in deze procedure geen onderscheid heeft gemaakt tussen SWBR en SBK.
Invulling bestuur”
r.o. 5.8
“De rechtbank volgt de Vereniging niet in haar betoog. Daargelaten dat het hier om een objectieve uitleg gaat en de Vereniging niet heeft toegelicht waarom in deze zaak een meer subjectieve uitleg zou moeten worden gehanteerd, heeft de Vereniging geen enkel aanknopingspunt gegeven voor de door haar gestelde bedoelingen van partijen ten tijde van de totstandkoming van de statuten. De rechtbank zal artikel 5 van de statuten van SWBR daarom uitleggen aan de hand van de letterlijke tekst van de bepaling.”
r.o. 5.14