Rechtbank Rotterdam · 2 oktober 2026
Bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW afgewezen: onvoldoende gesteld persoonlijk ernstig verwijt
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een groothandel vordert van een failliete vennootschap en haar bestuurder betaling van onbetaalde facturen en stelt de bestuurder aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW. De kantonrechter wijst de vordering tegen de bestuurder af, omdat onvoldoende is gesteld om een persoonlijk ernstig verwijt aan te nemen. Het lage geplaatste kapitaal en het niet deponeren van jaarrekeningen volstaan zonder nadere onderbouwing niet. Artikel 2:248 BW is niet van toepassing, omdat het gaat om het toetsingskader bij faillissement.
Kernoverwegingen
“In beginsel is alleen de vennootschap aansprakelijk voor de schade die ontstaat wanneer zij niet aan haar verplichtingen voldoet. Alleen in bijzondere gevallen kan een bestuurder persoonlijk aansprakelijk worden gehouden. Voor bestuurdersaansprakelijkheid is vereist dat de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de benadeling van de schuldeiser. Dat kan volgens vaste rechtspraak, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, aan de orde zijn als de bestuurder bij het aangaan van de overeenkomst wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden (de Beklamel norm), of als de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar contractuele verplichtingen niet nakomt (de Ontvanger/Roelofsen maatstaf). De lat voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid ligt hoog. Een bestuurder moet immers ruimte hebben om in het belang van de rechtspersoon beslissingen te nemen voor de rechtspersoon, zonder dat moet worden gevreesd voor aansprakelijkheid.”
r.o. 4.2
“Voor deze zaak betekent dit dat [eiseres] feiten en/of omstandigheden moet stellen die tot de conclusie kunnen leiden dat [gedaagde 2] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van de schade die [eiseres] lijdt als gevolg van het feit dat de 26 facturen niet zijn betaald.
[eiseres] heeft onvoldoende gesteld”
r.o. 4.3
“De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] onvoldoende heeft gesteld om tot het oordeel te komen dat [gedaagde 2] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. [eiseres] heeft enkel benoemd dat de facturen niet zijn betaald en dat er niet is gereageerd op betalingsverzoeken. Dat is onvoldoende. Het is niet aan [gedaagde 2] om te bewijzen dat haar géén persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, zoals wordt gesuggereerd in de dagvaarding. De – pas op de mondelinge behandeling naar voren gebrachte – stelling dat [gedaagde 2] verschillende keren automatische incasso’s heeft gestorneerd is onvoldoende concreet om tot een ander oordeel te leiden.”
r.o. 4.4