Rechtbank Rotterdam · 29 september 2026
Relatiebeding maatschapsovereenkomst na uittreding: arbitraal beding en afwijzing voorlopige voorzieningen
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een maatschap vorderde in kort geding naleving van het relatiebeding uit de maatschapsovereenkomst van een uitgetreden maat, diens bestuurder en een nieuwe vennootschap. De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de uitgetreden maat vanwege een arbitraal beding in de vaststellingsovereenkomst. Voor de overigen is slechts bij één relatiegroep een overtreding aannemelijk, wat onvoldoende is voor voorlopige voorzieningen; de vorderingen worden afgewezen.
Kernoverwegingen
“De Maatschap stelt zich echter op het standpunt dat de voorzieningenrechter bevoegd is, omdat de vorderingen jegens [gedaagde 1] primair gegrond zijn op onrechtmatige daad en niet op nakoming van de Vaststellingsovereenkomst. Dit standpunt faalt. Dat het handelen van [gedaagde 1] onder omstandigheden ook onrechtmatig kan zijn, doet er niet aan af dat in dit kort geding moet worden beoordeeld of [gedaagde 1] het relatiebeding uit de Vaststellingsovereenkomst heeft overtreden. Aan de werking van een in een overeenkomst opgenomen arbitragebeding kan niet worden ontkomen door de vermeende tekortkoming te kwalificeren als onrechtmatige daad.”
r.o. 5.3
“Dit betekent dat de voorzieningenrechtrechter alleen bevoegd is om van de vorderingen tegen [gedaagde 1] kennis te nemen als de gevraagde beslissing niet of niet tijdig in arbitrage kan worden verkregen. Niet in geschil is dat uit het NAI Arbitragereglement 2024 volgt dat in spoedeisende zaken waarin een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt verlangd, een daartoe samengesteld scheidsgerecht een voorlopige voorziening kan treffen. Dit betekent dat de Maatschap alle in deze procedure ingestelde vorderingen tegen [gedaagde 1] ook bij voorlopige voorziening in arbitrage kan instellen. Dan resteert enkel nog de vraag of de voorziening tijdig kan worden verkregen in arbitrage. Volgens de Maatschap is dit niet het geval vanwege de veelvoud aan verhinderdata van gedaagden, in combinatie met de beschikbaarheid van de Maatschap, haar advocaat en de nog te benoemen arbiter. Dit leidt er volgens haar toe dat behandeling in arbitrage op korte termijn feitelijk is uitgesloten. De voorzieningenrechter overweegt dat het enkele gegeven dat de vorderingen in arbitrage wellicht later op zitting kunnen worden behandeld dan bij de voorzieningenrechter, zoals de Maatschap betoogt, nog niet maakt dat de voorziening niet tijdig kan worden verkregen. Tijdigheid in deze zin is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dit geval is niet gebleken dat een mogelijk iets groter tijdsverloop onherstelbare gevolgen zal hebben, zoals bijvoorbeeld in het geval een fatale termijn dreigt te […]”
r.o. 5.4
“Het is [gedaagde 1] op grond van het relatiebeding onder meer verboden om “op enigerlei wijze, hetzij direct of indirect” opdrachten te aanvaarden en/of werkzaamheden te verrichten voor directe relaties en opdrachtgevers van de Maatschap. [gedaagde 2] is bestuurder van zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 3] . [gedaagde 2] is ook degene die als fiscalist in feitelijke zin binnen de Maatschap werkzaam was. Een redelijke uitleg van het relatiebeding brengt daarom mee dat handelen van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] met betrekking tot relaties van de Maatschap moet worden beschouwd als het “op enigerlei wijze, hetzij direct of indirect” handelen van [gedaagde 1] in de zin van het relatiebeding.”
r.o. 5.7