Rechtbank Rotterdam · 30 september 2026
Curator faalt: bestuurders ontzenuwen bewijsvermoeden onbehoorlijk bestuur; rekening-courantschuld wel toegewezen
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
De curator in een faillissement sprak de (middellijk) bestuurders van de failliete projectvennootschap aan op grond van artikel 2:248, 2:9 en 6:162 BW. Hoewel de publicatieplicht was geschonden en daarmee een bewijsvermoeden gold, hebben de bestuurders dat ontzenuwd door aannemelijk te maken dat externe omstandigheden het faillissement veroorzaakten. De stelplicht voor een persoonlijk ernstig verwijt en onrechtmatige daad was onvoldoende ingevuld, dus de vorderingen worden afgewezen. Twee vennootschappen moeten wel hun rekening-courantschuld aan de curator betalen.
Kernoverwegingen
“Gesteld en erkend staat vast dat de jaarrekeningen over de boekjaren 2020 en 2021 te laat zijn gedeponeerd, namelijk pas op 19 januari 2023 respectievelijk 25 maart 2023. Daarmee staat vast dat niet is voldaan aan de publicatieplicht. Dit brengt mee dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en dat vermoed wordt dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [bedrijf 1] . De omvang van de termijnoverschrijdingen is zodanig groot dat in de gegeven omstandigheden niet van een onbelangrijk verzuim als in de laatste zin van het artikellid kan worden gesproken. Het argument van de bestuurders dat de vertraging is veroorzaakt door de bestuurswisselingen maakt dat niet anders.”
r.o. 6.7
“Op grond van vaste jurisprudentie brengt een redelijke uitleg van artikel 2:248 lid 2 BW mee dat ter weerlegging van het gevestigde bewijsvermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten dan of omstandigheden dan zijn kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Stelt de bestuurder daartoe een van buiten komende oorzaak en wordt de bestuurder door de curator verweten dat hij heeft nagelaten het intreden van die oorzaak te voorkomen, dan zal de bestuurder ook feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Naast van buiten komende oorzaken, kan ook het handelen of nalaten van een of meer bestuurders dat op zichzelf beschouwd geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert — en waarvan dus niet gezegd kan worden dat geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld — voldoende zijn voor ontzenuwing van het bewijsvermoeden.”
r.o. 6.9
“De rechtbank is in de gegeven omstandigheden van oordeel dat de bestuurders voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het faillissement van [bedrijf 1] is veroorzaakt door andere omstandigheden dan hun onbehoorlijke taakvervulling. Zij hebben het bewijsvermoeden weerlegd en zijn niet aansprakelijk op deze grondslag.
De verwijten die de curator [naam gedaagden] c.s. verder maakt zijn onvoldoende zwaarwegend”
r.o. 6.12