Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 4 september 2026
Duurzame ontwrichting vof: ordemaatregelen vooruitlopend op uittreding vennoot na einde relatie
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
In kort geding vorderen drie vennoten van een vof ordemaatregelen tegen een vierde vennoot na het einde van een affectieve relatie, vooruitlopend op zijn uittreding. De voorzieningenrechter acht voorlopig aannemelijk dat sprake is van duurzame ontwrichting van de samenwerking, toe te rekenen aan die vennoot, zodat hij volgens de vof-akte wordt geacht te zijn uitgetreden. Na belangenafweging wijst zij verboden op betalingen, verbintenissen en communicatie namens de vof toe en beperkt zij zijn bevoegdheid in het handelsregister tot nihil. Het declaratoire verzoek tot inschrijving van zijn uittreding wordt afgewezen.
Kernoverwegingen
“De omstandigheid dat [gedaagde partij] nog steeds invloed op de exploitatie van de VOF kan uitoefenen door het doen van overboekingen (aan zichzelf of aan derden) en ook door de mogelijkheid om de VOF te binden, terwijl daarover discussie bestaat tussen partijen, staat aan een goede afwikkeling van zijn uittreding in de weg.”
r.o. 5.8
“[gedaagde partij] heeft op 8 januari 2025 een bedrag van € 120.000,00 overgeboekt van de VOF-rekening naar zijn privérekening. Hij stelt dat hij daarvoor de goedkeuring had van [eisende partijen] , maar die betwisten dat en door [gedaagde partij] is niets overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt. Uit de omstandigheid dat de overboeking achteraf in de boekhouding van de VOF is verwerkt kan de goedkeuring niet worden afgeleid. Bovendien was [gedaagde partij] degene die zich binnen de VOF bezighield met de administratie, wat maakt dat de omstandigheid dat de overboeking aanvankelijk niet door de andere vennoten is opgemerkt niet onbegrijpelijk is. Aannemelijk is dat [gedaagde partij] hiermee in strijd met artikel 5 van de VOF-akte heeft gehandeld.”
r.o. 5.9
“Op grond van voormeld strijdig handelen met de VOF-akte en de blijkens de verklaringen verweten gedragingen Van [gedaagde partij] is vooralsnog niet uit te sluiten dat deze samen al toereikend zijn voor de bodemrechter om tot het oordeel te komen dat er sprake is van duurzame ontwrichting van de vennootschappelijke samenwerking in de zin van artikel 13 lid 1 van de VOF-akte welke, voorlopig oordelend, aan [gedaagde partij] kan worden toegerekend. De overige onder a t/m g genoemde omstandigheden en gedragingen hoeven daarom geen bespreking meer. Dit betekent dat op grond van artikel 13.2 van de VOF-akte [gedaagde partij] wordt geacht uit de vennootschap te zijn getreden. Gelet op wat hiervoor onder 5.7. is overwogen gaat de voorzieningenrechter, voorlopig oordelend, uit van de uittredingsdatum 1 oktober 2025.”
r.o. 5.11