Week 42
Week 42 · 15 okt – 21 okt 2018 · 3 uitspraken
Boek 2 BW (3)
Herstel arbeidsovereenkomst na onterechte ontbinding; hersteldatum en voorzieningen; bestuurder en artikel 2:241 BW
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Een directeur van een holdingvennootschap bestrijdt in cassatie de hersteldatum van zijn arbeidsovereenkomst, nadat de voorwaardelijke ontbinding in hoger beroep geen stand hield. De A-G concludeert tot vernietiging, omdat het hof niet heeft gemotiveerd waarom het geen voorziening trof voor de periode tussen ontbinding en herstel. Boek 2 speelt alleen een rol bij de vraag of de directeur statutair bestuurder is (artikel 2:241 en 2:244 lid 3 BW, en het voorgestelde artikel 2:9b BW).
ECLI:NL:PHR:2018:1270
Conclusie: mondelinge behandeling door raadsheer-commissaris en herstel arbeidsovereenkomst; statutair bestuurder als zijdelings punt
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Een werknemer is ontslagen, waarbij onzeker is of hij statutair bestuurder was; de kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk en het hof herstelde haar. De conclusie gaat over de mondelinge behandeling door één raadsheer-commissaris in een meervoudig te beslissen zaak en over herstel van de arbeidsovereenkomst door de rechter zelf. Boek 2 speelt alleen een rol als achtergrond, bij de bevoegdheid van de rechtbank in zaken tussen vennootschap en bestuurder (artikel 2:241 BW) en in voetnoten.
ECLI:NL:PHR:2018:1271
Conclusie: kennelijk onbehoorlijk bestuur en belangrijke oorzaak faillissement, artikel 2:248 BW
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Curatoren spraken een voormalig bestuurder van een failliete obligatie-uitgevende vennootschap aan voor het boedeldeficit. Het hof achtte hem aansprakelijk voor 10% op grond van artikel 2:248 BW, omdat bijna de helft van de inleg niet werd belegd en het bedrijfsmodel een belangrijke oorzaak van het faillissement was. De A-G concludeert dat het hof de juiste, hoge drempel voor kennelijk onbehoorlijk bestuur heeft toegepast en de regels over stelplicht en bewijslast niet heeft miskend. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
ECLI:NL:PHR:2018:1275